Gesprekken I - Oefening 1 - 8b (1-41)

Wie bent U en wie is de mens?

1.Wie bent U, Geheimzinnige, en hoe bent U te kennen? (1-5)

 

1.1. Wie bent U toch, Geheimzinnige, naar wie de mensheid op zoek is?
Ik ben de Almachtige, verwacht van Mij alles!
Ik zorg dat u Mij vindt, als u Mij echt en volhardend zoekt.

 

1.2. Kan ik U vinden via het heelal, mensen, boeken of web?
Ik gebruik die als middelen om u op uw zoektocht nader tot Mij te brengen.
Ik toon mijn Heerlijkheid in hemellichamen, gebergten en de kleurrijke natuur.
Ik openbaar Mij in beelddragers met hun religieuze ervaringen.
Ik doe Mij kennen in technische vaardigheden en toepassingen daarvan in producten.
Ik trek mijn sporen in boeken maar u vindt in één speciaal boek een gaaf inzicht in Mij als uw Vader door mijn Zoon, het volle Beeld van mijn liefde, Johannes 5:1-47, Hebreeën 2:5-18.

 

1.3. Verbindt U zich ook met personen als herkenbaar profiel?
Ja, Ik verbond mij met drie aartsvaders en noemde mij God-van-Abraham, God-van-Isaak en God-van-Jakob, Exodus 3:6,15; 6:2; Matteüs 22:31-32.
Ik ben herkenbaar aan wat Ik aan deze drie beloofde en wat Ik aan en onder hen deed, zodat u voor de kennis van Mij altijd terug moet gaan tot mijn openbaringen aan deze drie, Genesis 12-50.
Ik richtte met hen en hun nageslacht een verbond van vriendschap op, had omgang met door inspraak en verschijningen, begeleidde hen en stelde hen tot zegen voor de volkeren, Genesis 12-17; Romeinen 4; Oef. 9-19.

 

1.4. Draagt U ook een eigen naam in onderscheid van andere godheden?
‘IK-BEN DIE IK-BEN! Ik was er, Ik ben er, Ik zal er actief zijn!’
Ik zal u dit laten ontdekken in uw leven tot uw verrassing, verwondering en verbijstering, Exodus 3:14; 4 tot 15.
Ik wil voor altijd genoemd worden: JAHWEH, HIJ-IS, HIJ-IS-ER-BIJ, Exodus 3:15
Ik ben de Vader die voor u zorgt, als de Zoon die u verloste, voor u pleit en u regeert en als de Heilige Geest, de Helper die u bezielt en heiligt, Matteus 28:18-20; Johannes 15:26, 27.

 

1.5. Hoe wisten degenen die u aansprak dat U het was die zij zochten?
Ik legde door mijn Woord en Geest zo beslag op hen dat zij vertrouwden dat Ik was wie Ik zei te zijn.
Ik zei tegen Abraham: “Trek weg uit uw land naar een ander land”, en hij ging gelovig en gehoorzaam terstond op weg, Genesis 12:1-9.
Ik bevestigde in woorden en wonderdaden dat Ik, drie-enige God, Dezelfde ben als de God-van-Abraham, God-van-Isaak en God-van-Jakob, Exodus 3:6,15; 4:3; Handelingen 2 tot 11, Oefening 2 (namen); 11-19 (verbond); 23 (wonderen).

 


 

Als u meer wilt weten over het kennen van de God van Abraham, Isaak en Jakob, kijk dan bij Gesprekken II of De Kleine Catechismus, Oefening 1 bij de vragen en antwoorden 1 tot 21. U kunt deze ook bestellen bij de auteur. Gaan deze gesprekken u nog niet diep genoeg, vraag dan bij de auteur aan De Grote Protestants Katholieke Catechismus.

 

2.Onder welke namen maakte U zich aan ons kenbaar? (6-11)

 

2.6. O, God van Abraham, hoe wilt U dat wij U aanspreken?
Ik wil dat alle generaties Mij aanspreken met mijn eigennaam Jahwèh, die Ik aan Mozes openbaarde, Exodus 3:14-15; 6:2-8.
Ik verdiepte de betekenis van deze naam als bevrijder van verdrukten en bestraffer van verharde tegenstanders, Exodus 6:7-8; 8:16-20; 15.

 

2.7. We kunnen U toch niet in alle talen aanspreken met een Hebreeuwse naam?
Ik sta u toe deze naam weer te geven in eigen taal als Betrokkene, HIJ-IS-ER, HIJ-IS-ER-BIJ, Getrouwe, Eeuwige en de omschrijving daarvan als Kurios, HERE, HEER, LORD, RABBIN.
Ik zie het aan Mij toegewijde hart aan bij het eerbiedigen van mijn Naam.

 

2.8. Mogen wij U nog met andere titels en namen aanspreken?
Ik neig mijn oor tot u, als u mij aanroept als Elohim, God, Adonai of Heer- schappijvoerder, Heer der heren, Koning der koningen.
Ik luister naar de naam Allah of God als titel, als deze komt uit een hart dat Mij en mijn Zoon liefheeft en vrede en welzijn van de naaste beoogt.

 

2.9. Mogen wij U gelijkelijk aanspreken met Vader, Zoon en Geest?
Wij luisteren naar u bij het noemen van onze namen en verwachten dat u daarbij tegelijkertijd onze onderlinge verhouding eert.
Ik reik als de Vader u, indien u tot Mij bidt in Jezus’ naam om geestesgaven, deze uit om en door mijn Zoon door middel van mijn Geest, Joh. 14:12-21; 15:26; 16:12-15.

 

2.10. Mogen we U aanspreken bij uw eigenschappen?
Ik luister naar U als de Almachtige en Alwetende, Ene en Heilige, een barmhartig en genadig God, geduldig, uitstellend de toorn, groot in goed(ertieren)heid en trouw, die goed(ertieren)heid bewijst tot in de duizendste generatie, die misdaden, overtredingen en zonden vergeeft, maar die een schuldige niet ongestraft laat en de misdaad van de vaders straft in hun kinderen en kleinkinderen, de derde en vierde generatie, Ex. 34:6-7.

 

2.11. Voeren, HEER, uw liefde en barmhartigheid dan niet in alles de boventoon?
Ik, uw Vader, ben een en al liefde voor u maar mijn liefde is ook heilig en Ik reageer daarom op ontering van mijn Naam en ontrouw, haat, onrecht en moord met toorn en afkeer, Jes. 2:6-22; Jer. 1-5; Luc. 21:19-24.
Ik, Jezus, heb u als Kerk lief zoals mijn Vader Mij liefheeft en doe door uw liefde tot Mij en tot elkaar uw blijdschap groeien tot een maximum, Joh. 15:9-17; 17:20-23.
Ik tracht als Koning der koningen de goddeloze mensheid door gerichten op de knieën te brengen,zodat zij zich van schrik verbergen voor mijn Toorn als het koninklijke Lam, Openb. 6:12-17.

 

Vader in de hemelen,
Het duizelt ons, nu wij uw namen en deugden overdenken. U bent zo groots en zo verheven dat wij stamelen.
Vertrouwde,
U gaf zich aan ons te kennen als onze liefderijke Vader. We kunnen het amper verwerken dat wij U zo kennen mogen.
God van het verbond
U bent met onze voorouders in gesprek geweest. Wij verenigen ons met hen in aanbidding van uw Naam. Zet uw verbond voort met onze kinderen en openbaar U aan hen
U-Die-Er-Bij-Bent,
Leer ons uw namen en deugden hoog in te schatten en geef ons altijd blijken van uw aanwezigheid
Driemaal Heilige
Voor U buigen wij ons in het besef van onze geringheid, wetende dat uw toorn tegen goddelozen kan losbarsten.
Alomtegenwoordige,
Wij bidden tot U op alle plaatsen en tijden om hulp, in huis en auto, omdat ware aanbidders U kennen in Geest en Waarheid, Joh. 4:23.
Alziende,
Wij kunnen U nergens ontvluchten, uw blik volgt ons overal, maar uw Nabijheid troost ons vooral, Ps. 139.
Alwetende,
Voor wij U iets vragen weet U wat wij nodig hebben, Mat. 6:8. U, die alles van ons weet, verhoor ons om Christus’ wil, Amen.

 


 

Wilt u meer weten over de namen van God, kijk dan bij Gesprekken II en raadpleeg oefening 2 bij de vragen en antwoorden 22 tot 37.

 

3. Waarin daagt u ons uit tot de strijd tegen boze geesten? (12-16)

 

3.12. Ach HEER, waarom moet de mensheid zo lijden onder leugen en moord?
Ik heb u goed geschapen met de vrijheid om goed en kwaad te doen.
Ik constateer met droefheid dat u zich liet verleiden en daarmee zelf het venijn van de aanstichter tot liegen en moorden in huis haalde.
Ik betreur dat de mensheid een prooi werd van boze geesten en er daardoor miljoenen mensen stierven door allerlei ellende en vooral door oorlogen.

 

3.13. Werden wij, HEER, echt tot prooi van bovenmenselijke machten
Ik stelde een engel aan tot hoofd van het engelenleger, deze trad eigenmachtig op en nam zijn aanhangers met zich mee in zijn val en greep op u. De lasteraar (= duivel) of de satan (= verzoeker) verleidde uw voorouders tot ongehoorzaamheid, Genesis (= Gen.) 3:1-6; Johannes (= Joh.) 8:44; Openbaring (= Openb.) 12:9.
Ik, Koning-Rechter, kon dit vergrijp niet ongestraft laten en sprak de vloek en doodstraf over u uit, Genesis 3:9-19; Romeinen (= Rom.) 8:19-20; 1 Korintiërs 15:56 (= Kor.).

 

3.14. HEER, gaf U dan alle volken over aan deze tegenstander?
Ja, maar Ik zette na de val een tegenoffensief in en zond mijn Zoon om hem te onttronen en zijn boze werken te verbreken, Gen. 3:15; Lucas (= Luc.) 4:5-6; Joh. 12:27-33; 1 Joh. 3:7-10.
Ik verheugde Mij erover dat mijn Zoon Satan uit de hemel wierp, op aarde zijn tirannie brak en als Verhoogde de strijd voortzette, Matteüs (= Mat.) 4:1-11; 12:22-37; 28:18-20; Hebreeën (= Hebr.); 2:14; Openb. 5-20.

 

3.15. Hoe regeert u, koning Jezus Christus, dit rijk van boze geesten?
Ik gebruik als Heer-(schappijvoerder) goede en boze engelen in mijn dienst dienst, Mat. 28:18-20; Efeziërs (= Ef.) 1:15-22; Kolossenzen (= Kol.) 1:13-23; Openb. 5-21.
Ik wiste door mijn offer de schuld uit van mijn berouwvolle volk en nam zo de grond weg voor Satans aanklachten tegen hen, Openb.12:7-10.

 

3.15.1. Hoe gebruikt U dan boze geesten in uw dienst?
Ik verdrijf demonen uit vele harten en trek in bij bevrijden als tempels van mijn Geest, Marcus (= Mc.) 1:21-39; 5; 1 Kor. 3:16-17, maar sta hen wel toe in leegstaande harten te trekken, Mat. 12:43-45; Openb. 14:6-11.
Ik oefen veel geduld maar als de misdaden van de volken tot een kookpunt stijgen, geef Ik hen over aan mijn toorn en roep hen door Satan als gesel tot de orde, Mat. 24:1-14 ; Openb. 5.9:17-21; 20:7-10.
Ik tuchtig door misleiders, oorlogen en rampen ongehoorzamen opdat zij zich voor Mij buigen, Jeremia (= Jer.) 3:6-25; Mat. 24:5-14; Openb. 15-18.
Ik stel demonen als machtelozen aan de kaak, beteugel hun macht en werp hen eens voor altijd in de vuurpoel, Mat. 13:40-41; Openb. 19:20; 20:10.

 

3.15.2. Hoe staan we hen te woord die demonen waandenkbeelden noemen?
Allen die de evangeliën willen zuiveren van demonen als verzinsels van het volk zijn verblind door Satan, die zich kleedt in het gewaad van wetenschap.
Ik verbrak Satans heerschappij maar voer nog steeds strijd tegen stromingen, die door boze geesten worden verblind, 2 Kor. 4:1-6.

 

3.16. Heer Jezus Christus, betrekt U ook ons in deze strijd der geesten?
Ik stuur u als schapen tussen roofzuchtige wolven om slim te zijn als slangen en oprecht als duiven en van Mij in het publiek met doodsverachting te getuigen, Mat. 10:16-33; Mc. 5; Handelingen (= Hd.) 2-28.
Ik geef u kracht door mijn Geest om te getuigen dat Ik, Jezus de Nazoreeër, de eniggeboren Zoon van God, de enige Verlosser en de Heer der heren ben, Mat. 12:22-37; Joh. 19:7; 1 Joh. 3:18-26.
Ik verheug mij er dagelijks over dat u juicht over mijn overwinningen over tegenstanders en aanbidders van demonen, Psalm (= Ps.) 2; 110; Joh. 12:31; Openb. 5:9-14; 11:15-19, Oef. 24-27.

 


 

Wilt u meer weten van de strijd tegen giftige stromingen kijk dan bij Gesprekken II, Oefening 3 bij de vragen en antwoorden 38 tot 54.

 

4. Zwijgt U of zijn wij horende doof voor uw Stem? (17-20)

 

4.17. HEER, sprak U echt of stelden schrijvers het voor ‘alsof’ U sprak?
Ik sprak zelf tot de aartsvaders en liet mijn stem bij de Sinaï zo luid schallen in rook en vuur dat het volk overstuur raakte en vreesde erdoor verslonden te worden, Deut. 5:25-28.
Ik willigde hun verzoek in of Ik Mij voortaan door een intermediair tot hen wilde richten.
Ik legde mijn Woorden in de mond van gezondenen en vereenzelvigde Mij met hen, Ex. 23:20-23; Deut. 5:28; 18:16-22; Richt. 6; Mat. 3:1-12; 2 Pe. 1:20.

 

4.18. HEER, waarom zegt U nu niets meer in verschijningen?
Ik sprak Mij uit in mijn Zoon, evenbeeld en afstraling van mijn heerlijkheid en acht zijn verschijning voor altijd voldoende om Mij te kennen en eeuwig te leven, Hebr. 1:1-4.

 

4.19. Wilt U door wonderen echt niet nog eens laten zien wie U bent?
Ik begrijp uw behoefte aan bemoediging in een tijd waarin velen een kloof ervaren tussen het tijdperk van wonderen en dat van de techniek, maar Ik doe in ieder tijdperk wat Mij behaagt en wat Ik nodig acht.
Ik openbaar Mij ook in de (medische) techniek en stel u in staat snel en direct met elkaar mee te leven door televisie en mobiele telefoon, e-mail en web.
Ik doe Mij in deze tijd kennen door lezing en prediking van de bijbel, door mijn Geest en geestesgaven - vooral van liefde, blijdschap en gerechtigheid – soms door dromen, Oef. 38.

 

4.20. Maakt U, HEER, als U nu doden zou opwekken, U niet geloofwaardiger?
Ik moet u daarin teleurstellen; al zou Ik doden laten verrijzen, dan zouden velen toch niet in Mij geloven; wie zich niet door de bijbel laat overtuigen, gelooft ook niet in Mij door herrezen heiligen, Luc. 16:19-31; Joh. 5:19-47.
Ik heb u niets meer te melden over Mij en mijn Koninkrijk dan wat Ik in bijbelteksten duidelijk liet vastleggen.
Ik voeg door nieuw ontdekte geschriften kwalitatief niets toe aan wat Ik u gaf.
Ik schenk u geen Derde Testament, maar bevestig; waar Ik dit nodig vind, mijn aanwezigheid door genezing van zieken tot uw bemoediging, Oef. 23, 26.

 


 

Wilt u meer weten over Gods openbaring en de bijbel, kijk dan bij Gesprekken II en raadpleeg Oefening 4 onder vragen en antwoorden van 55 tot 73.

 

5. Hoe vertolken wij uw Woord naar Uw zin? (21-23)

 

5.21. Waarom, o HEER, heeft en houdt de bijbel de huidige omvang?
Ik heb mij vele malen geopenbaard met als hoogtepunt de verschijning van mijn Zoon, beeld en afstraling van mijn heerlijkheid, Joh. 1:18; Hebr. 1:1-4.
Ik gaf oor- en ooggetuigen opdracht mijn daden op schrift te stellen opdat mijn volk in alle tijden daarvan kennis zou nemen en in Mij geloven, Deut. 31:9-13; Jer. 30:1-4; Luc. 1:1-4; Joh. 16:1-15; 20:30-31.
Ik geef u geen nieuwe openbaringen, omdat Ik u in mijn Zoon alles gezegd en gedaan heb wat nodig is om Mij te kennen en behouden te worden, Mat. 1:21; Luc. 2:11-14; Joh. 1:1-18; Hand. 4:12; Rom. 10:5-13.

 

5.22. Heer, hoe lezen en vertolken wij uw Woord naar uw bedoeling?
Ik geef u daarin inzicht door dezelfde Geest van de waarheid, door wie Ik profeten en auteurs van de bijbel heb beademd. Joh. 16:12-15; Hand. 2.
Ik maak u in de bijbel duidelijk wanneer Ik een heilsperiode in een volgende doe overgaan en wat daarbij voor u normatief is; zo leerde Ik Petrus dat Ik Israëls isolement beëindig en ook gelovigen uit de heidenen red, Hand. 10-11:1-18.
Ik geef u ook meer licht door bijbelstudie en via de kring van heiligen en schriftgeleerden, Joh. 5:10-47; 1 Pe. 1:12-21; Ef. 3:14-21; 1 Kor. 12-14.

 

5.23. Stelde u, HEER, ook regels voor predikers van uw Naam en Koninkrijk?
Ik zend predikers opdat zij op mijn gezag de gemeente bemoedigen in overeenstemming met mijn Woord naar het niveau van de hoorders.
Ik wil dat zij feestelijk afkondigen dat Ik mijn Koninkrijk openstel voor gelovigen en zachtmoedigen, maar ook dat zij mensen waarschuwen dat Ik dit sluit voor verharden, Ez. 33; Mat. 5:1-16; 7:13-23; 16:19; 2 Kor. 2:14-17.
Ik verleen biddende predikers door mijn Geest vrijmoedigheid tot getuigen en zorg zelf voor vrucht bij hoorders, Mat. 13:1-21; Joh. 3:31-38; Hand. 2-28.

 

5.23.1. Wilt U, dat wij de koran bestuderen?
Dit is in ieder geval nodig om de achtergrond van vele volksgenoten te leren kennen en de dialoog aan te gaan.

 


 

Wilt u meer weten over de bijbel, theopneustie, canon en koran, kijk dan bij Gesprekken II en raadpleeg Oefening 5 bij de vragen en antwoorden 74 tot 84.

 

6. Wat verwacht U van ons, Schepper, Onderhouder en Regeerder? (24-27)

 

6.24. HEER, schiep u uw wereld uit behoefte?
Nee, Wij staan als gemeenschap op Ons zelf, onafhankelijk en zelfgenoegzaam. Wij verheugen ons in elkaar in een heerlijk eeuwig samenzijn:
Ik, de Vader, verheug Mij in mijn Zoon als mijn evenbeeld.
Ik, de Zoon, verheug Mij in mijn Vader als levensbron.
Ik, de Heilige Geest, verheug Mij in de Vader en de Zoon, van wie Ik uitga.

 

6.25. Waarom besloot U dan over te gaan tot zulk een groots werk?
Wij begeerden Ons te verrijken en te verheerlijken met schepselen niet uit behoefte of noodzaak maar uit liefde en vreugde opdat u zich als onze beelddragers in Ons zou verheugen en onze liefde weerspiegelen, Gen. 1:26-28; Ps. 8; 104; Mat. 11:27; Joh. 17:20-23; Openb. 4:11.
Wij riepen het niet-zijnde tot aanzijn en rustten de ongeordende massa uit tot woning voor mens en dier, Gen. 1:1-2:4; Ps. 33:4-9; Jes. 48:12-13; Job 38-39.

 

6.26. Heeft U, als Drie-enige, uw taken onderling verdeeld?
Ja, ieder van Ons heeft zijn zending en al onze werken dragen dit stempel.
Ik, de Vader, bron van alle leven, nam het initiatief tot schepping en herschepping, Joh. 5:10-47; 15:26; Ef. 1:3-14. Ik riep: ‘Er zij licht in de duisternis’. Gen. 1:14-19, en: ‘er zij licht in uw duistere hart’, 2 Kor. 4:6
Ik, de Zoon, ben het Woord, door Wie alles ontstond en bestaat, en voer namens de Vader zijn heilsplannen uit, Joh. 1:1-12; 1 Kor. 8:5-6; Hebr. 1:1-4.
Ik, de Heilige Geest, ordende de baaierd, rustte ze uit met dingen, dieren en mensen, herschep ontaarden en rust heiligen toe. Gen.1:1-31;1 Kor.12-14.

 

6.27. Wat verwacht U, HEER, van ons, uw beelddragers?
Beseft dat U er bent uit Ons, door Ons en tot Ons, uw Schepper, Verlosser en regerend Koning, Rom. 11:36; 1 Kor. 8:5-6; Openb. 4.
Vertrouwt en gehoorzaamt Ons en hebt elkaar als gelovigen zo lief dat de wereld erkent dat Ik mijn Zoon tot u heb gezonden, Deut. 6:5-7; 8; 10:12-20; Jes. 40:11-31; Joh.17:20-23; Ef. 1:3-23.
Leeft voor Ons, uw Zingever en werkt mee aan de komst van ons Koninkrijk van godskennis, vrede en gerechtigheid, Mat. 5-7; 10; 28:18-20; Rom. 13:1-10; 1 Pe. 2:1-10; Openb. 1:1-8; 4-21; 22.

 


 

Wilt u het gesprek hierover voortzetten, kijk dan bij Gesprekken II, Oefening 6, vraag en antwoord 85-111.

 

7. Volgens welke strategie regeert U goed en kwaad? (28-32)

 

7.28. Hoe regeert U, HEER, de mensheid en de wereld?
Ik wijs de volken een woonplaats aan en overlaad hen met weldaden opdat zij Mij erkennen, Ps. 67; Mat. 5:43-48; Hand. 17:26.
Ik stelde mijn Zoon bij zijn hemelvaart aan tot Koning over alle volken om hen door Woord en Geest onder onze heerschappij te brengen.

 

7.29. Geldt, Jezus Christus, uw opdracht de wereld voor U te winnen ook ons?
Ik gaf deze aan Twaalf als vertegenwoordigers van de Kerk, dus ook aan u.
Ik verwacht dat U deze uitvoert in het geloof dat Mij alle macht is gegeven over de geesten maar ook over de islam en het hindoeïsme en secularisme.
Ik verwacht dat u erop uittrekt om leerlingen voor Mij te maken onder de volken en hen onder het beslag brengt van mijn Vader, Mij en de Heilige Geest en hen leert na te komen wat Ik u bevolen heb. Wordt niet bang of moedeloos: Ik ben met u alle dagen tot de jongste dag, Mat. 28:18-20, oef. 26-27.

 

7.30. Welke strategie volgt U, Vader, ten opzichte van tegenstanders?
Ik volg uiteenlopende methoden naar gelang Ik de ene of de andere nodig acht.
Ik voorkom soms het kwaad door tijdig in te grijpen zoals bij het plan van koning Herodes om mijn Zoon Jezus te vermoorden, Mat. 2:12-23.
Ik laat de verantwoordelijkheid van enkeling en gemeenschap gelden in loon en straf, Ez. 18, 33 (enkeling), Ez. 20-22; Luc. 21:5-25 (collectiviteit).
Ik tuchtig soms mijn volk door het geweld van vijanden om het te heiligen en te toetsen, te louteren en op te voeden tot meer geloof, Ri. 2-3:1-5; Ps. 44.
Ik buig het kwade om ten goede zoals ik deed in Jozefs leven, Gen. 37-45.
Ik vervlecht onheilige motieven en daden ten dode met mijn heilige motieven en daden ten leven zoals bij de kruisiging van mijn Zoon, Hand. 2:22-36.

 

7.30.1. Komen wij altijd te weten waarom bepaalde dingen geschieden?
Ik geef u onderricht door mijn Heilige Geest over zinvragen; niet weinigen verlaten dit leven met raadsels om straks antwoorden te krijgen.
Blijf vertrouwen dat Ik de Rechtvaardig Vader ben en dat Ik allen die ontzag hebben voor mijn Naam beloon, Openb. 11:15-19.

 

7.31. Hoe lang oefent U, Lankmoedige, tolerantie?
Ik oefen meestal heel lang geduld om het kwaad te laten rijpen en onbekeerden kansen tot ommekeer en behoud te geven, Mat. 13:24-30; 36-43; 2 Pe. 3:9.
Ik roei echter, indien de slechtheid ten top stijgt, een volk uit zoals de Amelekieten en het goddeloze Babylon, Ex. 17:8-14; Openb. 17-18.
Ik grijp definitief in door mijn Zoon als Rechter bij zijn komst om te oordelen de levenden en overledenen tot redding van vromen en ondergang van goddelozen, Mat. 24-25; 2 Pe. 3:1-13; Openb. 11:15-19.

 

7.32. Wat voor rol laat U Satan en zijn medewerkers spelen?
Ik gebruik hen als gesel om onbekeerden pijnlijk te treffen, wakker te schudden en tot ommekeer te brengen, Mc. 5; Openb. 9:17-21; 20:7-9.
Ik gebruik hen ook om oprechten te beproeven of de Kerk te doen groeien door martelaars, Job; Luc. 22:31-34; Openb. 6:9-11.
Ik straf Satan en zijn boze geesten voor hun kwade werken en werp hen eens voor altijd in de vuurpoel, Mat. 13:41; Openb. 20:10,15

 

7.32.1. Hoe eindigt u deze wereld en zet U deze voort in een nieuwe?
Ik laat deze wereld niet verdwijnen om steeds nieuwe te scheppen als in een cyclus maar doe mijn Koninkrijk al op deze aarde komen en herschep deze aarde en de hemel tot een definitief nieuwe.
Ik laat zielen niet bij herhaling incarneren in andere lichamen maar doe de lichamen van allen eens verrijzen tot eeuwig leven of de eeuwige dood, Openb. 21:1-8.
Ik, de Albeheerser en Mijn Zoon, het Lam, zullen eens zelf de tempel zijn, die de bewoners van de nieuwe aarde verlichten, Openb. 21:22-23.

 


 

Wilt u het gesprek over Gods regering voortzetten, kijk dan bij Gesprekken II, Oefening 7 onder de vragen en antwoorden 112 tot 137.

 

8a. Hoe doet U zich kennen in uw beelddragers? (33-37)

 

8a.33. HEER, hoe doet U zich kennen aan, in en door de mens?
Wij schiepen u als onze beelddragers naar lichaam en ziel, als man en vrouw, als enkeling en gemeenschap, zodat u enig idee krijgt van hoe Wij zijn. Wij staan met u in een vaste relatie door een reeks verbonden, zodat u als deelgenoot daarvan onze liefde en trouw ervaart, Oef. 9-19b.

 

8a.34. In welk opzicht lijken wij op U, Drie-enige God?
U bent als beelddrager de tempel, waarin wij als Vader en Zoon door de Heilige Geest wonen, Joh. 14:23; 1 Kor. 6:16. U weerspiegelt als gemeenschap van heiligen de liefde van Mij, de Vader tot mijn Zoon en de liefde van mijn Zoon tot Mij, Joh. 17:20-23. U bent drager van vele van onze eigenschappen, van zachtmoedigheid en en barmhartigheid, gerechtigheid en waarheid, Mat. 5:1-10; 1 Kor. 13; 1 Joh. 4:7-21.

 

8a.35. Hoort de deelname aan uw verbond tot ons menszijn?
Ja, Wij gaven u de sleutelpositie om de aarde te bouwen en te onderhouden en sloten een verbond om uw gehoorzaamheid te toetsen. Wij beloofden u loon op uw gehoorzaamheid en stelden de strafsanctie op ongehoorzaamheid om vrijblijvendheid uit te sluiten, Gen. 2:15-16. Wij herstelden, na uitroeiing van de eerste mensheid, u in uw sleutelpositie als beheerder om een nieuw begin te maken, Gen. 6-9. Wij achtten u van zoveel waarde dat Ik mijn Zoon zond om het beeld en verbond te herstellen opdat u onze heerlijkheid weer zou uitstralen, 2 Kor. 3.

 

8a.36. Wat verwacht U van ons als beelddragers en deelgenoten aan uw verbond?
Ik, uw Vader, verwacht van u, mijn kinderen, dat u zich dankbaar aan Mij toewijdt, mijn deugden weerspiegelt, u inzet voor mijn Koninkrijk, mijn schepping correct beheert en mijn verbond voortzet in uw nageslacht. Ik, de Zoon, verwacht van u, mijn volgelingen, dat u op Mij als uw Redder en Heer vertrouwt en Mij als gekruisigde en verrezene navolgt. Ik, de Heilige Geest, verwacht van u, mijn tempels, dat u streeft naar een gaaf levenspatroon en vrucht draagt tot eer van de Vader en de Zoon, 1 Kor. 12-14.

 

8a.37. Wat verwacht U van ons als volk van herschapen beelddragers?
Wij verwachten dat u als kerken en leden van het ene lichaam van Christus mijn deugden weerspiegelt en uw gaven besteedt tot welzijn van allen,1 Kor 12-14. Wij verwachten dat u onze onderlinge liefde als Vader en Zoon zo uitstraalt in uw saamhorigheid, dat niet-christenen Ons in u en door u (h)erkennen en in Ons gaan geloven, Joh. 17:20-23, Oef. 30-31, 37-39.

 

8a.37.1. Waarom dient men in de takken van wetenschap dit mensbeeld te eren?
Ik ken geen enkele neutrale tak van wetenschap; wie zich met mijn mens inlaat, komt Mij tegen; vertrouwen en kennen, geloof en weten zijn een eenheid. U komt Mij tegen in het recht en de psychologie, in de economie en staatkunde; overal zijn mijn beelddragers leden van de ene familie van deelnemers aan mijn verbond en verbondsbrekers.

 


 

Wie meer wil weten van het ware mensbeeld, kijkt bij Gesprekken II, Oefening 6A de vragen en antwoorden 138-154.

 

8b. Wie is de mens volgens de Koran? (38-41)

 

8b.38. Hoe wilt U, Heer Jezus Christus, dat wij omgaan met moslims?
Ik bracht hen dertien eeuwen na de opkomst van de islam in West-Europa op uw weg voor een ontmoeting in een getuigend gesprek rondom bijbel en koran.
Ik help u om de zware weerstanden tegen het gesprek bij moslims en christenen te overwinnen door mijn Geest, die Ik doe waaien waarheen Ik wil, Hand. 2; 11:17

 

8b.39. Op welk punt van de mensleer zullen we dit gesprek dan inzetten?
Wij openbaarden ons als de Barmhartige en Genadige aan Mozes, Ex. 34:6-7.
Wij zorgden ervoor dat dit zijn neerslag kreeg in de koran, waarvan bijna iedere soera begint met: ‘In de Naam van de Barmhartige Erbarmer’.
Wij zetten ons stempel op de mens zodat ook de moslim er niet onder uit kan zich te zien als beelddrager, al leert de koran dat hij een overgegevene aan en dienstknecht van Allah is.
Ik, de Zoon, ontledigde Mij tot dienstknecht; u moogt mijn navolgers zijn en het voorbeeld geven van nederige dienstbaarheid, Joh, 13:1-16; Fil. 2:1-11.

 

8b.40. Hoe moeten we dan met de verschillen omgaan?
Ik zal u leiden in alle waarheid, ook bij uw beroep op de koran, die vaak verwijst naar Tora en Evangelie, al vinden moslims dat de koran de bijbel heeft vervangen en verzen uit een latere periode vroegere teksten ongeldig maken.
Ik zal, als u vasthoudt aan mijn woord, door uw getuigenis anderen vrijmaken van dwalingen of hen verharden, Joh. 8:31-36; Mat. 13; Hand. 10-11.

 

8b.41. Wat is uw Woord over zelfmoordenaars die daardoor anderen doden?
Ik verfoei het fanatisme van hen die uit overgave aan Allah zelfmoord plegen en onschuldigen meeslepen in dood en verminkingen als eigen werk van Satan, de vader van leugen en moord, Joh. 8:44.
U kunt Gods kinderen kennen aan hun liefde voor Mij en hun liefde tot hun naaste en aan het doen van gerechtigheid in onderscheid van Satans kinderen, die Mij haten, hun naaste haten en in naam van een afgod onrecht en geweld bedrijven, 1 Joh. 3:1-10.

 


 

Wie meer van de mensleer van de islam wil weten, dient te kijken bij Gesprekken II, Oefening 8B, vragen en antwoorden 155 tot 167.